Terwijl wereldsteden in de ban zijn van de luidruchtige confrontaties tussen grootmachten, lijken de bezoeken van de Zuid-Koreaanse president en de Bengaalse minister van Buitenlandse Zaken aan New Delhi bijna routineus. Toch leggen juist deze gebeurtenissen de paradox van het moderne Azië bloot: terwijl de grootmachten proberen de regio in blokken te verdelen, bouwen middelgrote landen in stilte aan een netwerk van praktische banden die wel eens sterker zouden kunnen blijken dan luidruchtige allianties. Naar alle schijn gaat het om een poging een alternatieve samenwerkingsstructuur te creëren die minder afhankelijk is van de tweestrijd tussen Peking en Washington.
Het historische fundament voor deze bezoeken werd decennia geleden al gelegd. De diplomatieke betrekkingen tussen India en Zuid-Korea, die in 1973 werden aangeknoopt, bleven lange tijd formeel van aard. De grote doorbraak kwam in 2009 met de ondertekening van een alomvattende overeenkomst voor economisch partnerschap. Sindsdien is de bilaterale handel volgens officiële gegevens bijna vertienvoudigd, hebben Zuid-Koreaanse concerns fabrieken in India gebouwd en kreeg New Delhi toegang tot geavanceerde technologieën en infrastructuurinvesteringen. Dit traject bleek een van de meest succesvolle voorbeelden van het Indiase 'Look East'-beleid, dat later werd getransformeerd tot 'Act East'.
De banden met Bangladesh hebben een nog existentiëler karakter. De Indiase steun tijdens de bevrijdingsoorlog van 1971 maakt nog altijd deel uit van de nationale identiteit van beide landen. Het nabuurschap bracht echter niet alleen vriendschap, maar ook chronische problemen met zich mee — van de waterverdeling van de Ganges en de Brahmaputra tot grenshandel en migratie. Uit beschikbare rapporten blijkt dat de handelsomzet groeit, maar dat infrastructurele knelpunten en onopgeloste waterkwesties het potentieel blijven beperken. Het bezoek van de Bengaalse minister van Buitenlandse Zaken is daarom een poging om de relatie te verplaatsen van crisisbeheersing naar een strategisch partnerschap.
De huidige gesprekken in Delhi lijken zich te concentreren op drie hoofdthema's: technologische veiligheid, klimaatbestendigheid en de diversificatie van toeleveringsketens. Zuid-Korea streeft ernaar de afhankelijkheid van Taiwan en China bij de productie van halfgeleiders te verminderen, India biedt een enorme markt en een farmaceutische basis, en Bangladesh biedt kansen in de textiel- en kledingindustrie. Deskundigen merken op dat alle drie de partijen openlijke anti-Chinese retoriek vermijden en de voorkeur geven aan de taal van 'duurzame ontwikkeling' en 'inclusieve groei'.
De belangenkaart is daarbij complexer dan zij op het eerste gezicht lijkt. Voor India maken de bezoeken deel uit van een langetermijnstrategie om een 'netwerk van partnerschappen' te creëren dat de risico's van eenzijdige afhankelijkheid verkleint. Seoel gebruikt India naar alle schijn als verzekering voor het geval van een escalatie rond Taiwan en zoekt tegelijkertijd nieuwe afzetmarkten voor zijn hoogwaardige technologische producten. Dhaka probeert de balans te vinden tussen Peking, Delhi en Tokio, waarbij het de schuldenval van het 'Belt and Road Initiative' tracht te vermijden. Ondertussen wijzen voorlopige gegevens erop dat geen van de partijen bereid is de volledige omvang van de gemaakte afspraken prijs te geven, wat kenmerkend is voor de Aziatische diplomatie.
De ontwikkelingen kunnen zich volgens enkele realistische scenario's voltrekken. De eerste is de geleidelijke vorming van een mini-alliantie op het gebied van cruciale technologieën en groene energie. Bedrijven uit de drie landen zullen hiervan de vruchten plukken, waarbij de lancering van gezamenlijke projecten voor de productie van chips en zonnemodules als katalysator dient. Bureaucreatische barrières en regeringswisselingen zullen hierbij de belangrijkste tegenkrachten vormen. Het tweede scenario is symbolisch: ronkende memoranda zonder diepgaande implementatie. In dat geval zal China de lachende derde zijn, aangezien het zijn dominante positie in de regio behoudt.
De derde weg is de reactie van Peking. Als China in de toenadering een poging ziet om een alternatief te creëren voor zijn invloed in de Golf van Bengalen, valt economische druk op Bangladesh en diplomatieke demarches richting Seoel te verwachten. Een vierde, ambitieuzer scenario voorziet in een uitbreiding van het format naar een vier- of vijfzijdige dialoog met betrokkenheid van Japan of Vietnam. Dit zou de weerbaarheid van regionale toeleveringsketens tegen wereldwijde schokken aanzienlijk kunnen vergroten, maar zou serieuze concessies op gevoelige punten vereisen.
Het succes van deze initiatieven zal uiteindelijk afhangen van het vermogen van de drie hoofdsteden om intentieverklaringen om te zetten in werkende mechanismen die voelbaar zijn voor het bedrijfsleven en de burgers.



