Terwijl de traditionele gesprekken binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over een brede modernisering van de handelsregels blijven stagneren, zetten de VS en een groep belangrijke handelspartners vaart achter een alternatieve route voor digitale handel. In plaats van te wachten op de unanieme instemming van alle 164 à 166 WTO-leden, vertrouwen zij op een plurilaterale opzet: het 'Gezamenlijk Initiatief voor E-commerce' (JSI), waar inmiddels meer dan 60 landen aan deelnemen, waaronder de Europese Unie, Japan en Australië. Dankzij deze opzet kunnen de betrokken partijen alvast afspraken maken over regels en deze geleidelijk integreren in hun nationale en regionale wetgeving, terwijl andere WTO-leden de mogelijkheid behouden om in een later stadium aan te haken.
De kern van deze aanpak is het creëren van een plurilateraal mechanisme dat niet afhankelijk is van de consensus van alle lidstaten. Vergelijkbare verdragen zijn in het verleden al toegepast op het gebied van overheidsopdrachten en de handel in diensten, maar bij e-commerce liggen de belangen extra hoog omdat de digitale economie een steeds grotere stempel drukt op wereldwijde toeleveringsketens en internationale handel. De JSI-deelnemers keren het algemene WTO-systeem hiermee niet de rug toe, maar bouwen aan een parallel juridisch kader voor degenen die sneller stappen willen zetten.
De grootste obstakels voor een wereldwijde consensus liggen bij grensoverschrijdende datastromen, eisen rond de lokalisatie van servers en de belasting van digitale diensten. De VS en hun bondgenoten pleiten voor een zo open mogelijk regime, waarbij de invoering van tarieven en andere barrières voor digitale handel wordt beperkt. China en diverse ontwikkelingslanden vrezen echter dat strikte regels hun regelgevende soevereiniteit ondermijnen en de ontwikkeling van hun eigen technologische platforms en digitale markten in de weg staan.
Dit initiatief weerspiegelt een bredere trend van groeiende frustratie over het onvermogen van traditionele multilaterale instituten om snel in te spelen op economische veranderingen. In plaats van jarenlang te wachten op consensus binnen de WTO, kiezen hoofdrolspelers steeds vaker voor kleinere groepen waarin nieuwe regels makkelijker afgestemd kunnen worden. Deze koers vergroot echter het risico op versnippering van het handelssysteem; naarmate er meer parallelle zijwegen rond de WTO ontstaan, kan de algemene rechtsorde in de wereldhandel verzwakken.
Op praktisch vlak werd in maart 2026 een kritiek punt bereikt: na een jarenlange pauze liep het WTO-moratorium op invoerrechten voor elektronische overdrachten af zonder dat er een unaniem besluit over verlenging werd genomen. Landen kregen hierdoor het recht om naar eigen inzicht heffingen op digitale diensten en internetgoederen in te voeren. Tegen deze achtergrond hebben de deelnemers aan het Gezamenlijk Initiatief voor E-commerce de werkzaamheden aan de verdragstekst geïntensiveerd, terwijl zij de bepalingen reeds verankeren in nationale wetten en de verdere uitbouw van de opzet bespreken voor toekomstige WTO-ministerconferenties.
De uitkomst van dit proces hangt grotendeels af van de vraag of er een compromis gevonden kan worden tussen de roep om een open digitale markt en de belangen van opkomende economieën. Mocht die balans er komen, dan krijgt de e-commerce een stabielere juridische basis die de handelsgroei in het post-pandemische tijdperk kan aanjagen. Op de langere termijn laten dergelijke stappen zien dat het mondiale handelssysteem verschuift van strikte multilaterale consensus naar een hybride model, waarbij plurilaterale samenwerking wordt gecombineerd met de basisprincipes van de WTO, zoals non-discriminatie en transparantie. Zonder een dergelijke aanpak neemt het gevaar dat de wereldeconomie versnippert aanzienlijk toe.



